Enkele vaderlandse dichters gaan wandelen





Wandelen in Schothorst

Je gaat niet graag de straat op
Als je 't toch doet moet het weer niet
Aan de koude kant zijn maar ook niet te mooi
Alles moet vooral heel onopvallend gaan.
Kleine pasjes neem je, je holt
Nooit en kijkt geen sterveling aan.
Was 't je al eens niet overkomen dat je,
Toen je wat rondkeek, een uitbrander
Kreeg van een enorme dame, zo'n
Salamander in omstandigheden?
Ook moet je er keurig uitzien als
Je buiten bent, een kleurige das, pas
Gepoetste schoenen, een cyclaam
In je knoopsgat, drieëndertig tresjes
Op je mouw, je laatste recensie gevouwen
Tot pochet. Voorts een drollig hoedje op,
Wollen wanten en een dwarsstreep over
Je broek. De kleur voornamelijk zwart.
Een wandelstok met drie gekrulde slangen:
Een onbekende die uit wandelen gaat.

Gerrit Komrij



                  _ _



Blijf staan, m’n voet, m’n brave voet, blijf staan,
Glij niet, m’n voet, hier onder mijn vandaan;
Blijf nu toch staan, m’n voet, m’n brave voet,
Als deze straat m’n bed nooit worden moet.

(Heden morgen is de professor niet aanspreekbaar)

Prof. Daniël Heinsius



                  _ _

Schothorst staat reeds te wachten,
Zie, hoe zij daar genaak,
Zwervende over korenairen.
Witte boekweit, eikenblaeren,
Speelgenooten van Den Ham,
Welkom, Schothorst! Roem der hoven!
Zou mij zangster u niet looven?
Gij staakt uwe kruinen boven,
Toen zij u bezoeken kwam.

Willem Pijpers



                  _ _

Voor wat ik u nu nog vertellen moet,
Is deze wei niet noch dit licht: de gloed
Van den meimiddag zou de tranen droogen,
Die schreien zouden uit uw milde oogen,
Die bijna schreien nu 'k van schreien spreek.
Gij leeft nog lang, misschien vindt gij mijn beek
Wel weer, wanneer een witte wintermist
Nog eens het woud hult en gij u vergist
Hebt in de paden. Loop langs 't water snel,
Gij hoort het in den mist kabblen heel wèl,
En vindt me in nevel; ik maak u zoo bleek
Als 't water is, benee den mist, der beek.


Herman Gorter




                  _ _

Jae sille dy, yn frjuenlijckheyt,
Op holp-mijlde' hannen dreagje,
Dat foor dijn foet nin dwerz-stien leyt
Mey seertme dy to pleagjen.


Gysbert Japicx




                  _ _

Kitty, Zaterdag, met dien vroegen trein
- je weet-wel -
Wou ik naar Haarlem komen,
Om je Elsje te brengen
Als je aan den trein kondt zijn,
Zou ik dat heel prettig vinden
Dan sturen we het doek,
met een kruier naar huis toe
en gaan samen wandelen
Zul je voor mooi weêr zorgen?
En bedenk een mooie wandeling
Erg buiten, zul-ie?



Albert Verwey


                  _ _

Ada, de jongste dochter van Nicolaas Beets, is nog een meisje als zij verliefd wordt op een jongen met wie zij in het geheim gaat wandelen en soms ook zoenen. Als vader Beets dit via een anonieme brief ter ore komt, is hij woedend. Maar Ada is koppig en weigert haar liefde op te geven. Dan legt Beets haar huisarrest op, een situatie die zes jaar zou duren. Pas als Ada inziet dat haar vader nooit toestemming zal geven tot een huwelijk met de intussen predikant geworden jongeman, geeft ze haar verzet op en doet ze met pijn in haar hart afstand van haar jeugdliefde. Twee jaar later wordt zij opnieuw verliefd en dit keer gelukkig wel op iemand die aan de eisen van haar vader voldoet. Met hem is zij getrouwd, maar haar eerste liefde is zij nooit vergeten.

Herinneringen aan Nicolaas Beets



                  _ _

Enfin, wij gingen loopen naar de kermis in Amsterdam. Nu was hy die daar voor me stond met zyn sjaal, eens daarby, schoon hy een paar jaren jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig om naar de Griekin te kyken. Maar hy was de primus van onze klasse - want knap was hy, dit moet ik erkennen - en hy hield veel van spelen, stoeien en vechten. Dáárom was hy by ons. Terwyl we dus - we waren wel met ons tienen - vry ver van de kraam af, naar die Griekin stonden te kyken, en beraadslaagden hoe wy 't moesten aanleggen om kennis met haar te maken, werd er besloten geld by-een te leggen om iets in die kraam te koopen. Maar toen was goede raad duur, om te weten wie de stoute schoenen zou aantrekken om het meisjen aantespreken. Ieder wilde, maar niemand durfde. Er werd geloot, en het lot viel op my. Nu erken ik, dat ik niet gaarne gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die het gevaar zoekt, voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is my inderdaad aangenaam optemerken hoe ik my in myn denkbeelden over gevaar en zulke dingen, gelyk ben gebleven, daar ik thans over zoo-iets nog juist dezelfde meening koester, als dien avend toen ik daar by de kraam van den Griek stond, met de twaalf stuivers die we saamgelegd hadden, in de hand. Maar zie, uit valsche schaamte durfde ik niet zeggen dat ik niet durfde, en bovendien, ik moest wel vooruit, want myn makkers drongen me, en weldra stond ik voor de kraam. Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor de oogen. Ik stamelde een aoristus primus van ik weet niet welk werkwoord... - Plaît-il? zeide zy. Ik herstelde my eenigszins, en ging voort: - Meenin aeide thea, en...dat Egypte een geschenk van den Nyl was. Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zyn, indien niet op dat oogenblik een myner makkers uit kinderachtige baldadigheid my een zoo harden stoot in den rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen de uitstalkast aanvloog, die op halvemanshoogte de voorzy van de kraam afsloot. Ik voelde een greep in myn nek ... een tweeden greep veel lager ... ik zweefde een oogenblik ... en vóór ik recht begreep hoe de zaken stonden, was ik in de kraam van den Griek, die in verstaanbaar fransch zei dat ik een gamin was, en dat hy de policie roepen zou. Nu was ik wel dicht by het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik schreide, en bad om genade, want ik zat vreeselyk in angst. Maar het baatte niet. De Griek hield me by den arm, en schopte my. Ik zocht naar myn makkers - we hadden juist dien morgen veel over Scaevola te doen gehad, die zyn hand in 't vuur stak, en in hun latynsche opstellen hadden ze dit zoo heel mooi gevonden - jawel! Niemand was daar gebleven om voor my een hand in 't vuur te steken ... Zóó meende ik. Maar zie, daar vloog op-eens myn Sjaalman door de achterdeur de kraam in. Hy was niet groot of sterk, en pas een jaar of dertien oud, maar hy was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zyn oogen flikkeren - anders zagen ze flauw - hy gaf den Griek een vuistslag, en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem duchtig geslagen heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te bemoeien met dingen die me niet aangaan, ben ik terstond weggeloopen. Ik heb het dus niet gezien.
Multatuli




                  _ _

Toen heb ik - 't was op Cyprus - in de krant gelezen: 
Jezus van Nazareth, Christus geheeten,
is, na voor drie dagen gekruist te wezen,
zooals onze geachte lezers weten,


niet in zijn graf gevonden; 't graf was open.
Hardnekkige geruchten loopen,
dat Zijn discipelen de wacht beslopen, 
toen deze sliep, en zoo het lijk ontvreemdden.
Geëxalteerde vrouwen echter meenden,
dat zij Hem zagen wandelen door de beemden; 
Maria moet gestameld hebben: Heere!
Er zijn ook visschers, die beweren:
Hij heeft met ons gegeten bij de meren.
Maar dit is van bevoegde zijde wedersproken.
Men late zich geen knollen voor citroen verkoopen.


Gerrit Achterberg